|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
De ijsvogel (Alcedo atthis) is een klein bontgekleurd vogeltje uit de familie der ijsvogels (Alcedinidae). Het is de enige van nature in Europa voorkomende ijsvogelsoort.
bewerk KenmerkenDe ijsvogel is een kleine vogel met een korte staart en pootjes, een korte nek, korte, afgeronde vleugels, een grote kop met grote ogen en een lange, dolkvormige snavel, geschikt om vissen mee te vangen en vast te houden. De poten zijn syndactiel: de voortenen zijn gedeeltelijk aan de basis met elkaar vergroeid. De ijsvogel is onmiskenbaar door zijn tekening: een metaalglanzend blauwgroene rug, kruin en vleugels en kobaltblauwe staart en stuit, met witte halsvlek en keel en een warm oranjebruine buik en wang. Het blauw op de rug en vleugels is lichter dan die op de kop. De poten zijn oranjerood van kleur. De geslachten zijn enkel te onderscheiden aan de kleur van de basis van de ondersnavel, die bij het vrouwtje dofrood is en bij het mannetje net zo zwart als de rest van de snavel. Jonge dieren onderscheiden zich van volwassen dieren door het valere verenkleed met donkergrijs gerande borstveren, gevlekte kruin, lichte snavelpunt en donkerbruine poten. Hij heeft een lichaamslengte van 16 tot 20 cm, een spanwijdte van 24 tot 26 cm en een lichaamsgewicht van 34 tot 44 gram.[1] Het geluid van de ijsvogel is een hoge, fluitende 'tjieieiet' of 'tieietuu', die hij vaak tijdens de vlucht laat horen. Bij opwinding slaakt hij een kort, herhaald 'titi-titi'.[2] bewerk LeefwijzeDe ijsvogel heeft een snelle, rechte vlucht, vaak vlak langs het wateroppervlak. Hij kan op deze manier snelheden bereiken van maximaal 80 km per uur.[3] De vleugelslag is snorrend, afgewisseld met een korte glijperiode.[4] Hierdoor is er van een ijsvogel in vlucht zelden meer te zien dan een blauwe en/of oranje flits. Hij is vaak te vinden op een vaste uitkijkpost nabij het water, vanwaar hij zijn prooidieren gadeslaat. Ook zit hij vaak in de schaduw van overhangende struiken. Het waterdichte en isolerende verenkleed bestaat uit korte, dichte veren. Tot zes keer per dag wordt dit verenkleed door de ijsvogel gepoetst en gekamd. Dit poetsen kan 15 tot 20 minuten duren. De ijsvogel kent een voor de soort unieke poetsbeweging: hij wrijft over zijn kruin met de binnenkant van zijn vleugel.[3] Ook houdt de ijsvogel regelmatig een bad. Vooral ouderdieren baden aan het einde van de periode waarin de jongen in de nestkamer worden gevoerd. Het nest is rond die tijd bevuild met een laag braakballen. Tijdens het baden duikt de ijsvogel onder water, alsof hij aan het vissen is, om enige tellen in het water te blijven of gelijk weer het water te verlaten en opnieuw te duiken. Dit doet hij tot twintig keer achter elkaar. bewerk Voedsel en jachtDe ijsvogel jaagt voornamelijk op kleine vissen als modderkruipers, voorns, barbelen, jonge vlagzalmen en tiendoornige stekelbaarsjes, aangevuld met jonge forellen, baarzen, snoeken en karpers, alvers, gambusia's, driedoornige stekelbaarsjes en kwabalen.[3] Ook garnalen, rivierkreeften en andere kreeftachtigen, amfibieën als salamanders, kikkers en kikkervisjes, insecten als libellen, kevers, waterinsecten en larven en weekdieren als zoetwaterslakken staan op het dieet. Prooidieren zijn meestal 3 tot 5 cm lang, maximaal 7 cm. Vissen beslaan zo'n 78% van het dieet.[3] Hij vindt zijn prooi vanaf een tak die over het water uitsteekt, om daarvandaan met een snelle duikvlucht een visje te verschalken. Ook kan hij boven het water "bidden". Aan de kust jaagt hij vanaf een rots, een pier of een paal. Soms zoekt hij ook buiten het water naar voedsel, zoals in de lucht. Iedere ijsvogel heeft zijn eigen favoriete uitkijkplaats vanwaar hij duikt. Deze plaats bevindt zich zo'n één tot drie meter boven het water. Als de uitkijkplaats te laag is, vliegt hij eerst omhoog waarna hij naar beneden duikt. Hij zit meestal onbeweeglijk stil op zijn uitkijkplaats, vaak met de vleugels gespreid en de snavel half open. Met zijn scherpe ogen kan hij in helder water de precieze positie van zijn prooi bepalen, waarna hij met snavel naar voren op zijn prooi duikt. De prooi bevindt zich meestal niet meer dan 25 cm onder het wateroppervlak.[1] Hij duikt met hoge snelheid bijna loodrecht op zijn prooi, waardoor hij het wateroppervlak kan doorbreken. Om deze snelheid te ontwikkelen slaat hij tijdens de duik kort met zijn vleugels. Op hoge snelheid kan hij tot een diepte van een meter duiken, maar meestal duikt hij niet meer dan enkele centimeters. Een vlies, het knipvlies, beschermt de ogen tegen het water. De ijsvogel drijft vanzelf weer boven en verlaat direct na de vangst het water. Met één slag van de korte, sterke vleugels kan hij zich weer uit het water heffen en wegvliegen. Hij vliegt hierna naar een zitplaats, waar hij het visje doodslaat tegen de tak waar hij opzit. Hierna slikt hij het dier in zijn geheel in met de kop naar voren, waardoor de vinnen of schubben niet bijven steken in de keel. Mocht de ijsvogel de vis niet met zijn snavel kunnen draaien, gooit hij hem eerst in de lucht. Onverteerbare delen als graten, schubben en chitineresten worden met een kleine, ovale braakbal uitgebraakt. bewerk Sociaal gedragDe ijsvogel leeft voornamelijk solitair, in het broedseizoen in paarverband. Een paartje heeft een eigen territorium, dat honderd meter tot een kilometer van een rivieroever kan beslaan. Het paartje is zeer territoriaal in de broedtijd en tolereert geen andere ijsvogels. Een indringer wordt over het water achtervolgd, waarbij de ijsvogel harde kreten slaakt. Soms monden deze aanvallen uit in gevechten, waarbij de ijsvogels elkaar bij de snavels beetpakken en in het water vallen. Deze gevechten duren meestal maar kort, maar in Zweden is waargenomen dat een gevecht acht uur lang kan duren.[3] Ook kleine zangvogels worden weggejaagd. 's Winters heeft de ijsvogel soms een groter territorium, dat wel vijf kilometer kan beslaan. Het mannetje en vrouwtje leven in deze periode gescheiden van elkaar en zij hebben allebei een deel van het territorium. Dit verdedigen zij ook, ook tegen elkaar, maar minder fanatiek dan in het broedseizoen. Meestal zijn ijsvogels standvogels, maar in het noorden van het verspreidingsgebied, waar 's winters de wateren dichtvriezen en de ijsvogel daardoor geen vis kan vangen, trekt hij weg naar ijsvrije gebieden, bijvoorbeeld de kust. Alleen in deze periode kan de ijsvogel in groepen worden waargenomen. Ook in warmere streken kan de ijsvogel lokaal trekken. Het mannetje trekt over het algemeen later weg dan het vrouwtje. De ijsvogel zoekt het daaropvolgende jaar zijn territorium weer op. bewerk VoortplantingDe ijsvogel broedt meestal twee à drie keer per jaar. Bij zeer gunstig weer of verlies van een broedsel kunnen vier broedsels per jaar plaatsvinden. Aan het begin van de paartijd in februari zoekt het mannetje een vrouwtje, meestal hetzelfde vrouwtje als het voorgaande jaar. Hij kan in de paartijd tot drie vrouwtjes bevruchten. De paarvorming begint uit een achtervolging in de lucht, vlakbij de toekomstige locatie van het nest. Tijdens deze achtervolging slaakt hij scherpe kreten. Hiermee wordt de agressie van de ijsvogels geneutraliseerd.[3] Hierna strijkt het paartje naast elkaar neer. De vogels richten zich verticaal op, met de snavel licht omhoog. Dit lijkt veel op de dreighouding, maar bij deze houding blijft de snavel gesloten en worden de veren op de rug en kruin niet opgericht. Het mannetje maakt in deze houding met zijn voorlijf zwaaiende bewegingen. Na de paarvorming begint het mannetje met de bouw van het nest. Als het mannetje een oud nest wil betrekken, toont hij dit door er geregeld in en uit te vliegen. Net als de andere soorten ijsvogels broedt hij in holen die hij zelf in een steile oeverkant uitgraaft. Het mannetje klemt zich eerst vast aan de oeverwand en graaft met de snavel de grond weg. Met de poten veegt hij de uitgegraven aarde uit het hol. Ook het vrouwtje helpt later mee met de bouw van het nest. In het begin houdt zij zich echter meer bezig met het verdedigen van het territorium. Het hol bestaat uit een licht oplopende gang met een doorsnede van 5 tot 5,5 cm en een lengte van 30 tot 100 cm. Deze gang eindigt in een ronde nestkamer, waarin de eieren worden gelegd. De opening van het hol bevindt zich meestal zo'n 90 tot 180 cm van de grond af, zelden lager dan 60 cm. Na een week is de nestgang klaar. Na de bouw van het nest volgt de balts, waarbij het mannetje een visje aanbiedt aan het vrouwtje. De balts wordt meestal vergezeld door veel geroep. Zodra het vrouwtje de vis heeft geaccepteerd en opgegeten volgt de paring. Het vrouwtje toont haar paarbereidheid door zich horizontaal te strekken. Het mannetje zweeft eerst kort boven haar in de lucht, om daarna op haar rug te landen. Om in evenwicht te blijven slaat hij met zijn vleugels, en soms houdt hij zich met zijn snavel vast aan de veren in haar nek. Binnen de week vinden meestal nog meer paringen plaats. Hierbij vindt geen baltsgedrag meer plaats. De broedtijd duurt van maart tot juli. In West-Europa worden de eerste eieren half maart gelegd, in Oost-Europa half april. De nestkamer waarin de eieren worden gelegd is onbedekt. Een legsel bestaat uit vier tot acht (soms tot tien) witte, ronde eieren. Ze hebben een doorsnede van 2cm en een gewicht van 3,6 tot 4,7 gram. Het broeden begint nadat het laatste ei is gelegd, waardoor de eieren ongeveer tegelijkertijd uitkomen. Het paar broedt samen de eieren uit; ze wisselen elkaar iedere twee tot vijf uur af. Na 18 tot 21 dagen broeden komen de eieren uit.[5] Bij het uitkomen zijn de kuikens blind en naakt. Om warm te blijven worden ze de eerste week warmgehouden door de ouders. Na deze week zijn de kuikens bedekt met korte veren. Zowel het mannetje als het vrouwtje verzorgt de jongen. Zij voeden de kuikens met insecten, visjes en kleine kreeftachtigen. De prooidieren zijn iets groter dan de prooidieren waarmee de ouders zichzelf voeren.[3] De prooi wordt met de kop naar voren aangeboden. De eerste twee à drie weken wachten de jongen in de nestkamer op de ouders. De bodem van de kamer raakt hierdoor bedekt met braakballen, visschubben, graten en andere voedselresten. De jongen zitten in het hol in een stervorm, met de snavels naar buiten gericht. Het kuiken dat voor de ingang zit krijgt als enige voedsel. Nadat één voedsel heeft gekregen, schuift de "ster" een plaats op. Op deze manier krijgt ieder jong voer. Als een jong probeert voor te dringen, wordt hij door de andere jongen met harde pikken gestraft. Later wachten de kuikens de ouders op in de gang. Na 23 tot 27 dagen verlaten de jongen het nest. Na het verlaten van het nest nemen de jonge ijsvogels een tak in, vanwaar ze nog twee tot vier dagen worden gevoerd. Vaak is het ouderpaar dan al begonnen aan een tweede broedsel, in een andere nestgang. Na deze dagen worden de jongen weggejaagd of verlaten ze uit zichzelf het territorium van de ouders. Ze vormen het volgende jaar zelf een territorium. Na een jaar zijn ze geslachtsrijp. De ijsvogel wordt maximaal 15 jaar oud. bewerk Verspreiding en leefgebiedDe ijsvogel komt voor in een groot deel van Europa, behalve het grootste deel van Scandinavië en Schotland, in Azië ten zuiden van Siberië tot Japan en de Salomonseilanden, en lokaal in Noordwest Afrika. In Europa loopt de noordgrens door Zuid-Zweden, ongeveer ter hoogte van Stockholm, en Zuid-Finland. In België en Nederland is hij een zelden waargenomen broed- en standvogel. Incidenteel trekt hij 's winters weg. In Europa komt de ijsvogel voornamelijk voor langs langzaam stromende wateren als beken en rivieren in het laagland (zelden boven 650 meter hoogte), maar hij kan worden aangetroffen in bijna alle waterrijke gebieden, als kanalen, sloten en een enkele keer de oevers van grotere plassen, meren, grindgaten en estuaria. In Oost- en Zuidoost-Azië wordt hij voornamelijk langs de kust aangetroffen, in mangrovebossen, riviermondingen en getijdepoelen. De ijsvogel is voor het jagen afhankelijk van wateren die helder en ijsvrij zijn, en die een grote hoeveelheid kleine visjes hebben. Het liefst leeft hij ook in schaduwrijke gebieden, waar hij bij de jacht niet wordt gehinderd door de reflectie van licht. De aanwezigheid van geschikte uitkijkplaatsen is van minder groot belang. In de broedtijd leven ze voornamelijk in de nabijheid van steile oeverwallen van zand of leem nabij water, waar een nesthol kan worden uitgegraven. Soms broeden zij ook in steile wanden die wat verder van het water afliggen, maar dit komt zelden voor.[3] De ijsvogel is over het algemeen een standvogel, maar dieren die boven de 40e breedtegraad leven, zoals de Finse en Russische populaties, trekken 's winters weg, aangezien dan alle wateren bevroren zijn, wat het jagen onmogelijk maakt. Tijdens de trek kan hij afstanden tot wel 2000 km afleggen. Vogels uit Scandinavië worden 's winters ook in Nederland aangetroffen. Zij trekken weer weg naar de broedgebieden in maart. In sommige gebieden, als Borneo en Java, komt de soort enkel als wintervogel voor. Ook dieren in gematigde streken verlaten tijdens plotselinge koude hun broedterritoria. Deze dieren trekken slechts vrij korte afstanden. Ze kunnen dan rond allerlei soorten wateren aangetroffen worden, waaronder de kust. bewerk OndersoortenEr worden acht ondersoorten onderscheiden:
bewerk BedreigingenDe belangrijkste natuurlijke vijanden van de ijsvogel zijn nerts, wezel en bunzing, die soms nestholen bezoeken en de jongen doden. Deze holen zijn echter lastig te bereiken en ijsvogels worden over het algemeen zelden bejaagd. Ook roofvogels doden zelden een ijsvogel, aangezien ijsvogels zich over het algemeen snel en laag bij het water verplaatsen. De soort kan slecht tegen strenge winters, en een zeer strenge winter overleven veel ijsvogels niet. Meestal sterven de dieren door voedselgebrek of doordat ze tijdens de duik een harde klap maken op het dikke ijs. Zo werden er in België na de bijzonder strenge winter van 1963 nauwelijks 25 broedende paren waargenomen. Door zijn voorliefde voor vis jaagt de ijsvogel regelmatig bij viskwekerijen. Hierdoor wordt hij soms als een schadelijk dier gezien. In zijn boek History of European Birds schreef L. Yeatman over een forellenkweker die tussen 1892 en 1899 zo'n 800 ijsvogels doodde en in 1900 op een ornithologisch congres in Parijs vroeg om de uitroeiing van de soort.[3] Sommige viskwekers tolereren de dieren echter, omdat de ijsvogel zich voornamelijk voedt met de kleinere en zwakkere visjes. Sinds de jaren zeventig is de ijsvogel in de meeste Europese landen beschermd en beschermen de meeste viskwekerijen hun vissen met een gaasnet, waar de ijsvogels niet doorheen kunnen komen. Toch worden er nog steeds ijsvogels illegaal met strikken gedood. De belangrijkste hedendaagse door de mens veroorzaakte bedreiging is watervervuiling, waardoor prooidieren sterven en water vertroebelt. Ook het verdwijnen van beken en de normalisering van oevers, die worden strakgetrokken en versterkt met beton of stenen, leiden tot een lagere biodiversiteit en het verdwijnen van geschikte broedplaatsen. Een andere bedreiging is de verstoring door de watersport en nieuwsgierige vogelaars. Gebieden waar de verstoring al vroeg in het jaar zeer hoog is worden verlaten door ijsvogels, waardoor de dieren al hun energie steken in het vinden van een nieuw territorium en dat jaar niet meer aan broeden toe komen. Ook vliegen ijsvogels zich regelmatig dood tegen ramen en autoruiten. bewerk In Nederland en België
Vrijwilligers van Natuurpunt graven een ijsvogelwand in het Saleghem Krekengebied die nu jaar na jaar nesten herbergt.
In Nederland en België gold de ijsvogel jarenlang als een bedreigde soort, maar de laatste jaren is hun aantal in Nederland en België weer duidelijk toegenomen. In Nederland was er een stijging van 35 tot 50 broedparen in 1997 naar 650 tot 700 in 2002, mede veroorzaakt door de zachte winters, verbetering in waterkwaliteit en het herstel van beken.[2] Ook wordt de soort geholpen door het maken van kunstmatige wakken en zogenaamde ijsvogelwanden, speciaal voor ijsvogels ingerichte oeverwanden. Door deze stijging in aantallen is de soort in 2004 van de Nederlandse Rode Lijst verdwenen en wordt de ijsvogel daar niet meer als bedreigde soort beschouwd. In 2005 werd het aantal ijsvogels in Vlaanderen geschat op 650 à 850 broedparen.[6] bewerk Verklaring van de naamDe kleur van zijn rug (blauwgroen met een metaalachtige schijn) is waarschijnlijk verantwoordelijk voor de naam van het beestje. Het is namelijk afkomstig van de Germaanse naam: Eisenvogel. Dit betekent eigenlijk zoiets als 'ijzervogel', maar is uiteindelijk verbasterd tot 'ijsvogel'. Een andere verklaring voor de naam is dat de ijsvogel vaak 's winters bij het ijs werd gezien om uit een wak vissen te vangen.[7] bewerk De ijsvogel in kunst en cultuurDe ijsvogel speelt een rol in verscheidene legendes en verhalen. Zo zou de ijsvogel aan zijn kleuren zijn gekomen nadat hij de ark van Noach had verlaten. De volgens het verhaal oorspronkelijk grijze vogel zou een rode buik hebben gekregen van de ondergaande zon en een blauwe rug van de hemel. In China gold de ijsvogel als het symbool van huwelijkstrouw. In de Griekse mythologie wordt het verhaal verteld van Alkyone, de dochter van Aeolus, de god van de wind, en Ceyx, de zoon van de avondster Hesperus. De twee hadden een gelukkig huwelijk, maar wisten de goden te ontstemmen doordat de twee zich Zeus en Hera noemden. Om hun hoogmoed te straffen werden de twee veranderd in vogels: Ceyx werd een meeuw, Alkyone een ijsvogel. Van de twee figuren zijn de namen van twee andere ijsvogelgeslachten afgeleid, Ceyx en Halcyon. Door zijn kleurenpracht werd de ijsvogel veelvuldig afgebeeld op schilderijen. Zo is de soort te zien op de triptiek De Tuin der Lusten van Jeroen Bosch en staat een paartje afgebeeld op Vogels in een landschap van Roelant Savery.[3] De ijsvogel stond afgebeeld op het laatste Nederlandse 10-guldenbiljet. bewerk Noten
bewerk Externe links
|
| All Right Reserved © 2007, Designed by Stylish Blog. |