Onder de naam hondenbelasting kan door de gemeente een belasting worden geheven ter zake van het houden van een hond. De belasting wordt geheven van de houder van een hond en veelal naar het aantal honden dat wordt gehouden (artikel 226 Gemeentewet).
bewerk Historie & rechtsgrondslag
De hondenbelasting is geen uitvinding uit de tweede helft van de 20e eeuw. Het stamt uit de tijd dat de hondenkar gebruikt werd als transportmiddel voor de armen, terwijl de rijkeren het paard en wagen als vervoer gebruikten. De overheid zag in beiden een middel om transportbelasting te kunnen heffen. Het is niet bekend of het belastinggeld vervolgens ook in het toenmalig vervoer of wegenstelsel geïnvesteerd werd (d.i. een bestemmingsheffing). Tegenwoordig, begin 21e eeuw, wordt ervan uitgegaan dat de heffing van hondenbelasting is gerechtvaardigd teneinde de overlast van hondenpoep terug te dringen. Ook thans kan evenwel niet worden gezegd dat sprake is van een bestemmingsheffing. Veelal wordt de opbrengst van de belasting aangewend om een gat in de begroting te dichten. De veelgehoorde vraag "waarom niet ook kattenbelasting?" is juridisch simpel te beantwoorden: Omdat de wet alleen de mogelijkheid van een belasting op honden kent. (Er staat niet "op huisdieren" maar: "op honden"). Het instellen van belasting op andere dieren kan dus alleen als de Gemeentewet wordt aangepast, een gemeenteraad kan dat niet zelf regelen.
bewerk Gemeentelijke belastingverordening
Voor het antwoord op vragen als wie geldt als de belastingplichtige, wat het voorwerp is van de belasting, wat het belastbare feit is, wat de heffingsmaatstaf is en het tarief, dient de belastingverordening van de betreffende gemeente te worden geraadpleegd (artikel 217 Gemeentewet). Meestal zal dit de eigenaar van de hond(en) zijn, waarbij de heffingsmaatstaat het aantal honden is met speciale regelingen voor hondefokkers en -asiels.
bewerk Externe links
|