Een boogconstructie is een uit wigvormige stenen opgebouwde overspanning in een gebogen vorm, die een vrije constructie oplevert tussen twee steunpunten. Hoe platter de boog hoe groter de zijwaartse krachten zijn.
In de bouwkunst wordt een boog veel toegepast, omdat het van nature een sterke constructie vormt. In het verleden was een boogconstructie vaak de enige manier om grote ruimten te overkappen, en er vervolgens weer bovenop te bouwen. Pas sinds de uitvinding van de boog als draagconstructie konden enorme gebouwen als kathedralen worden gebouwd.
Een alternatief voor de boog is de latei, een ingemetselde draagsteen of draagbalk. Sinds de uitvinding van het gewapende en voorgespannen beton wordt de boog nog nauwelijks gebruikt.
Romaanse bogen zijn cirkelvormig. In Europa worden deze bogen behalve in kerken ook veel aangetroffen in bruggen. In de gotiek werden spitsbogen toegepast.
De Spaanse architect Gaudi, die werkte in de periode van de jugendstil, ontwikkelde geheel nieuwe vormen van bogen. Om te bepalen of deze sterk genoeg waren, maakte hij een model van de boog met touwtjes, de zgn kettinglijn. Dit model hing op zijn kop. Met gewichten simuleerde Gaudi de krachten die op de boog zouden gaan werken. Hiermee ging de touwboog vanzelf in de juiste, stabiele, vorm hangen.
|