|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
De Amsterdamse tram is het grootste tramnet van Nederland en een van de grootste tramnetten van Europa. De tram in Amsterdam wordt geëxploiteerd door GVB, tot 2006 heette dit het GVB (Gemeentevervoerbedrijf Amsterdam).
bewerk Geschiedenis
Op 3 juni 1875 werd de eerste paardentramlijn van de AOM, de Amsterdamsche Omnibus Maatschappij, in gebruik genomen. Deze verbond de Plantage met het Leidscheplein. In het laatste kwart van de 19e eeuw werden paardentramlijnen aangelegd door de belangrijkste straten van Amsterdam en werden alle buurten binnen de Singelgracht met de Dam verbonden. Ook kwamen er lijnen naar de toenmalige nieuwbouwwijken, zodat er aan het einde van de eeuw zo'n vijftien tramlijnen waren naar onder andere de Vondelstraat, Overtoom, Willemsparkweg, Amsteldijk, Linnaeusstraat, Weesperzijde, Bilderdijkstraat en Ceintuurbaan. In de huidige tramlijnen 1, 2, 3, 4, 7, 9, 10 en 13 zijn nog duidelijk de routes van de oorspronkelijke paardentramlijnen te herkennen. bewerk GemeentetramPer 1 januari 1900 nam de gemeente Amsterdam dit particuliere bedrijf over en ging het verder als de Gemeentetram Amsterdam (GTA). Van de AOM werden 242 tramwagens, 758 paarden en 15 gebouwen overgenomen. Tussen 1900 en 1906 werden, op een na, alle tramlijnen geëlektrificeerd. Ook werd het AOM-tramspoor met de afwijkende spoorwijdte van 1422 millimeter omgebouwd tot normaalspoor (1435 mm). In 1906 bestond het tramnet uit 12 elektrische tramlijnen (1-11 en 13). Hiervoor waren 229 nieuwe motorwagens aangeschaft. De vroegere paardentrams werden als bijwagens meegevoerd. De laatste paardentramlijn was lijn 12 Nassauplein – Sloterdijk, die in 1916 werd geëlektrificeerd. In 1921 kreeg Amsterdam door annexatie van de Gemeente Sloten er weer een paardentram bij die de Overtoom met Sloten verbond. Deze lijn werd in 1925 door een busdienst vervangen. In 1906 werd de Amsterdamse Tramharmonie opgericht. Dit orkest, bestaande uit amateurmusici uit de regio Amsterdam, bestaat nog steeds. bewerk Verdere ontwikkelingTussen 1910 en 1930 kwamen met de groei van de stad vele nieuwe tramuitbreidingen tot stand. Na de eerste dertien geëlektrificeerde tramlijnen kwamen er nog bij: lijn 14 in 1910, lijnen 15 t/m 18 in 1913, lijn 19 in 1916, lijnen 22 en 23 in 1921, lijn 20 in 1922, lijn 21 in 1928, lijn 24 in 1929 en lijn 25 in 1930. In 1931 bereikte het tramnet zijn grootste omvang met 25 tramlijnen. Hiermee waren (bijna) alle wijken in de tot 1940 gebouwde stad per tram bereikbaar. Het wagenpark groeide tussen 1900 en 1930 tot 445 motorwagens en circa 350 bijwagens. Dit waren alle tweeassers met een houten opbouw. Van 1922 tot 1971 hingen er achterop de trams brievenbussen. Deze werden geleegd bij het Centraal Station; het distributiecentrum van de post bevond zich naast het station, aan het Stationsplein, later aan de Oosterdokskade. Dankzij de trambrievenbussen werd een brief toch op tijd bezorgd, ook als deze te laat was voor de laatste lichting van de reguliere brievenbus. Door de economische crisis van de jaren dertig moest de tramdienst worden ingekrompen. In 1932 verdwenen de lijnen 12, 15, 19, 20 en 21. Met de Spoorwegwerken Oost kon de tram in de jaren 1939-'42 nieuwe wijken in Oost de Watergraafsmeer en het nieuwe Amstelstation en Muiderpoortstation gaan bedienen. In de jaren 1940-'45 kreeg de tram met èn grote drukte èn grote schaarste te maken. Diverse lijnen moesten weer gestaakt worden, totdat de hele dienst in oktober 1944 werd opgeheven door kolenschaarste. Veel tramwagens werden in oostelijke richting afgevoerd. bewerk Naoorlogse periodeDe Gemeentetram fuseerde in 1943 met de Gemeenteveren tot Gemeentevervoerbedrijf. Na de Tweede Wereldoorlog konden de tramdiensten in juni 1945 weer van start gaan. Tussen 1948 en 1950 werden zestig motorwagens en vijftig bijwagens aangeschaft, de drieassers. Zij werden gebouwd bij Werkspoor te Utrecht-Zuilen. Na een periode van wederopbouw werd in de jaren vijftig de een na de andere tramlijn opgedoekt. De bus was praktischer. Alleen voor de smalle Leidsestraat en Utrechtsestraat bleef de tram noodzakelijk omdat men het niet aandurfde hier bussen te laten rijden. Halverwege de jaren vijftig kwam de (moderne) tram weer in de belangstelling. De 25 enkelgelede trams die in 1955 werden besteld voor de Leidsestraatlijnen 1 en 2, bevielen goed en werden in 1972-'73 verlengd tot dubbelgelede trams. Tussen 1957 en 1968 werden 160 nieuwe gelede wagens van Nederlands fabrikaat (Beijnes en Werkspoor) aangeschaft met de nummers 551-587 en 602-724. De oude tweeassers uit de vooroorlogse periode werden tussen 1945 en 1968 buiten dienst gesteld. De drieassers reden hun laatste ritten in 1983. bewerk UitbreidingenOok werden de nieuwe Westelijke Tuinsteden in het westen van Amsterdam op het tramnet aangesloten: Slotermeer in 1954, Osdorp in 1962, Geuzenveld in 1974, Slotervaart-Zuid in 1975, Nieuw Sloten in 1991, en De Aker in 2001. Ter vervanging van oud materieel en voor uitbreiding van het tramnet werden in de jaren zeventig en tachtig 92 trams van Duits fabrikaat aanschaft bij Linke-Hofmann-Busch te Salzgitter. In 1975 kwamen de 725-779 en in 1979-'80 de 780-816. In de jaren tachtig beschikte het Gemeentevervoerbedrijf over 252 dubbelgelede trams, het grootste aantal in een stad in Europa. In 1989-'90 kwamen 45 gelede wagens (nummers 817-841 en 901-920), gebouwd door BN. In dezelfde periode werd de eerste oude gelede wagens uit 1957 afgevoerd. In 1990 kwam de tramverbinding met Buitenveldert en Amstelveen gereed. Tramlijn 5 gaat vanaf Station Zuid naar Amstelveen Binnenhof, terwijl lijn 51 vanaf Station Zuid als sneltram via Amstelveen Poortwachter naar Westwijk rijdt. Tramlijn 9 naar de Watergraafsmeer is in 1990 verlengd naar Diemen (de Sniep). bewerk Recente wijzigingen
bewerk VrachttramIn maart 2007 werd door het bedrijf CityCargo een proef genomen met een vrachttram. De bedoeling is om in de toekomst het gebruik van vrachtauto's in de binnenstad te verminderen door vracht per tram te gaan vervoeren tussen de Aker, Frederiksplein en Plantage Parklaan. bewerk Trammaterieelbewerk Huidig materieel
Interieur van de Combino.
Met de bestelling van 155 trams (nummers 2001-2151 en 2201-2204) van het type Combino van Siemens is de bestaande tramvloot tussen 2002 en 2004 voor een groot deel vernieuwd. Vier van de Combino's zijn als tweerichtingswagen uitgevoerd voor lijn 5 naar Amstelveen. Halverwege 2004 waren 140 Combino's afgeleverd. Als gevolg hiervan werden de laatste oude gelede wagens uit de jaren zestig in maart 2004 buiten dienst gesteld. Omdat bij de Combino's tal van constructiefouten zijn ontdekt, zijn de laatste 15 aanvankelijk niet afgenomen. Een renovatie bij Siemens zou uitkomst moeten brengen. Een structurele oplossing voor de constructiefout werd eind september 2004 aangekondigd: Alle Amsterdamse Combino's zullen terug naar de fabriek in Duitsland gebracht worden voor reparaties en het versterken van de constructie. De twee jaar durende hersteloperatie is in april 2005 van start gegaan. In oktober 2005 werden de eerste vijf verbeterde Combino's aan de pers gepresenteerd. In april 2006 bleek dat de inmiddels aangepaste Combino's nog steeds ernstige gebreken vertoonden. Voorts zijn er nog 37 gelede wagens (nummers 780-816), gebouwd door LHB in 1979-'80 en 45 gelede wagens (nummers 817-841 en 901-920), gebouwd door BN in 1989-'90. Hiervan zijn er 20 tweerichtingswagens, bestemd voor lijn 5 naar Amstelveen. bewerk Tramremises en HoofdkantoorVoor de exploitatie van het trambedrijf beschikt men over twee remises: Havenstraat (Oud-Zuid) vanaf 1914 en Lekstraat (Rivierenbuurt). Deze laatste remise uit 1927-'29 is gebouwd in Amsterdamse School-stijl. De Hoofdwerkplaats Tram is sinds 1996 gevestigd in Diemen-Zuid. Voordien was deze ondergebracht in de Remise Tollensstraat (Oud-West) uit 1902. Sinds mei 2005 kent het trambedrijf ook een emplacement op het Zeeburgereiland. Dit is speciaal aangelegd voor lijn 26, enerzijds vanwege ruimtegebrek in de remise Lekstraat, anderzijds om de in- en uitruktijden te verkorten. Het van de AOM overgenomen hoofdkantoor was oorspronkelijk gevestigd aan de Stadhouderskade 2. In 1923 werd voor de Gemeentetram een nieuw hoofdkantoor in Amsterdamse School-stijl gebouwd op de hoek van de Overtoom en Stadhouderskade 1. In 1983 verhuisde het Gemeentevervoerbedrijf naar het Scheepvaarthuis (ook in Amsterdamse School-stijl) uit 1913 aan de Prins Hendrikkade 108. In 2004 werd een modern kantoor betrokken aan de Arlandaweg nabij Station Sloterdijk. bewerk Enkele feitenDe spoorwijdte in Amsterdam is 1435 millimeter (normaalspoor), de bovenleidingspanning is 600 volt en het tramnet is geschikt voor eenrichtingstrams, met uitzondering van tramlijn 5 waar tweerichtingstrams rijden. De 16 tramlijnen maken gebruik van 213 km spoorlengte tramrails, de 4 metrolijnen van 81,2 km metrorails. De drukste tramlijn is lijn 5 (Centraal Station – Amstelveen) met 42.000 instappers per dag. De langste tramlijnen zijn 7 en 14 (beide Sloterpark – Flevopark): 12,5 km. De kortste tramlijn is 4 (Centraal Station – Station RAI): 6,1 km. De oudste elektrische tramlijn is 10 (geopend in 1900), de nieuwste tramlijn is 26 (geopend in 2005). De lijn die het langst ongewijzigd bestaan heeft is lijn 24 (van 1929 tot 2002). GVB beschikt over 82 dubbelgelede trams en 155 trams van het type Combino. [1] bewerk Huidige tramnet (2008)
bewerk Niet meer gebruikte tramlijnnummers in AmsterdamDe lijnnummers 6, 8, 11, 15, 18, 19, 20, 21, 22, 23 en 27 hebben ooit toebehoord aan Amsterdamse tramlijnen, maar thans zijn er geen tramlijnen met deze nummers. Hieronder een beknopt overzicht van deze tramlijnnummers.
bewerk LijnkleurenBij de elektrificatie kregen alle tramlijnen een lijnnummer en een lijnkleur, een vierkant logo naast het lijnnummer zodat reizigers die niet konden lezen de lijnen toch konden herkennen. Ook de koersborden werden in deze kleuren uitgevoerd. Het was in het begin van de 20e eeuw gebruikelijk dat tramlijnen naast een nummer ook een kleur hadden. Ook de paardentramlijnen hadden al lijnkleuren. Niet alleen in Amsterdam, maar ook in andere steden (Den Haag, Rotterdam, Utrecht) hadden de stadstrams lijnkleuren, die later zijn afgeschaft. De Amsterdamse lijnkleuren bestaan uit combinaties van een of twee kleuren (rood, groen, geel, blauw en wit). Niet alle kleurencombinaties zijn geoorloofd: zoals groenblauw en geelwit, dit vanwege het gebrek aan contrast. Het vierkante vlak is horizontaal, verticaal of diagonaal verdeeld. De ceintuurlijnen 3, 7, 9 en 10 kregen een lijnkleur in één kleur: resp. geel, blauw, groen en rood. De radiale lijnen kregen meestal een verdeling in tweeën. Later kwamen er ook lijnen met een verdeling in drieën (met telkens twee kleuren). Afwijkend zijn de kleurencombinaties van de lijnen 7 en 13: lijn 7 heeft blauw, maar voor de duidelijkheid zijn hier twee liggende witte stroken toegevoegd. Lijn 13 heeft wit, maar hier is een patroon in blauwe vierkantjes toegevoegd. Lijn 22 (aanvankelijk 19) had als enige lijn de kleur roze (kringlijn Centraal Station). Volgens het huidige systeem zijn er 38 kleurencombinaties mogelijk. In de jaren tachtig zijn de nog nooit gebruikte combinaties toebedeeld aan de niet bestaande lijnen 27, 28, 29 en 30 en aan de metrolijnnummers 50 t/m 58. Vandaag de dag worden de lijnkleuren nog steeds gebruikt. Zij zijn te vinden naast het lijnnummer aan de voorzijde van de trams en sneltrams (ook wanneer sneltramrijtuigen op de metrolijnen 50 en 53 rijden). bewerk Literatuur
bewerk Zie ook
De "Red Crosser" een oude "gele tram", door het Rode Kruis voorzien van rolstoellift en aangepast toilet, en in gebruik voor rondritten met mindervaliden.
bewerk Fotografen
bewerk Externe links
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
| All Right Reserved © 2007, Designed by Stylish Blog. |